Buurthuis

Het valt me op dat er steeds meer chronisch psychiatrische patiënten binnen lopen in het buurthuis waar ik elke vrijdag voor de ‘Inloop’ werk. Zoals Ellie. Ik ken haar al lang. Nog uit de tijd dat ik voor de kliniek werkte. Ze torst een leven vol verdriet en trauma’s met zich mee en vandaag lijkt ze een beetje psychotisch. Vandaag denkt ze dat ze zwanger is. Als ik haar uitleg dat me dat onwaarschijnlijk lijkt, aangezien ze al 62 is, begint ze opgelucht te huilen. Dan beweert ze op een mysterieuze toon dat de buurman haar kleineert en dat ze voortdurend achtervolgd wordt door de postbode. Als ze van het toilet komt, kan ik aan de natte plek op haar broek concluderen dat ze, ook deze keer weer net te laat was. Omdat ze regelmatig niet zo fris ruikt, heb ik het thema maar weer eens aangekaard. “Ja,” zegt ze dan, “ik wil wel vaker wassen maar de wasmachine zit meestal vol met spullen van Mien.”

Ellie werd in het verleden regelmatig opgenomen op de open kliniek. Nu niet meer. Er is bezuinigd. Patiënten worden tegenwoordig cliënten genoemd en moeten participeren. Ellie woont met drie andere chronisch psychiatrische patiënten in een huis ‘in de wijk’. Ze is niet bepaald assertief of helder en daarom valt ze regelmatig ten prooi aan uitbuiters en profiteurs. Af en toe komt er een begeleider bij haar langs, maar Ellie voelt zich in de steek gelaten door de GGZ en heeft vaak het gevoel te verzuipen.

“Mijn spigiater,” want ja, dat is een lastig woord, “zegt dat ik mijn pillen beter moet slikken, maar ik kan niet zo goed overweg met die medicijnrollen,” zegt ze. “En mijn begeleider,” gaat ze verder, ”heeft altijd zo weinig tijd. Ze zit meestal achter haar ipad als ze bij mij is. En dan val ik haar maar niet lastig.”

Ellie komt elke vrijdagmiddag naar de ‘Inloop’. Als ik aankom staat ze meestal al onrustig dribbelend voor de deur te wachten. We drinken samen met de andere bezoekers een kop thee, snoepen koekjes en ik probeer met haar mee te denken als ze vragen heeft. Meestal luister ik alleen naar wat haar bezig houdt, stel haar gerust of we doen een spelletje. Elke week gaat ze als laatste weg. Ik heb vaak het gevoel dat ik tekort schiet en dat ik haar maar bar weinig kan bieden. Toch komt ze steeds weer terug. Misschien omdat het buurthuis tegenwoordig de enige plek is waar ze terecht kan. Triest, maar fijn dat er zoiets als de ‘Inloop’ is.