Depressief

Traag, vlakke mimiek en emotioneel leeg. Niet somber, niet angstig, niet boos. Gewoon niets.
Depressief.
Het hart klopt, de ademhaling doet haar ding en de spierspanning werkt op een vertraagde, automatische piloot. De processen die in haar hersenen zijn verankerd, gaan door. Gedachteloos en onbewust. De emoties van Ans lijken te zijn uitgeschakeld. Werktuigelijk voert ze hoognodige handelingen uit maar ze voelt er niets bij. Er is niets wat haar raakt. Een enthousiast kleinkind niet, een huilende medepatiënt niet en vreselijk nieuws over een suïcide op de afdeling niet. Met een leeg gezicht en een vertraagd lichaam doet ze wat ze doen moet en soms dát zelfs niet. Ook haar kapsel lijkt het te hebben opgegeven en haar kleding hangt futloos aan haar lijf.

Als ze mijn lokaal binnen sloft, lijkt ze net een robot waarvan de batterijen zo goed als leeg zijn.
“Fijn dat je er bent Ans” heet ik haar welkom.
Ze lijkt de moeite niet op te kunnen brengen om me aan te kijken, of iets te zeggen. Ze loopt me sjokkend voorbij. Op de eerste stoel die vrij is gaat ze zitten. Haar armen vallen langs haar zij. Ik ga naast haar zitten. “Wil je koffie?” Ik stel bewust een vraag waarop ze alleen ‘ja’ of ‘nee’ hoeft te antwoorden. Het duurt erg lang voordat haar hoofd mijn vraag heeft verwerkt. Ik wacht geduldig. Ze zit te trillen. Als ik het eigenlijk al niet meer verwacht zegt ze, zuchtend op een vermoeide uitademing, “Koffie alsjeblieft”. Ik glimlach naar haar, leg mijn hand kort op haar schouder, sta op en schenk haar een kop koffie in.
Als ik me vervolgens even bezig houd met andere cliënten en daarna bij haar terug kom, zie ik dat ze haar armen inmiddels op tafel heeft gelegd maar de koffie staat onaangeroerd koud te worden. Het is te moeilijk, te zwaar, te inspannend. Ans is zo leeg. Zo depressief. Ik ga naast haar zitten. Gewoon om haar te laten weten dat ik haar zie. Dat ze er mag zijn. Dat ze er is vandaag vind ik eigenlijk al heel wat.