Frustratie

Door het gewapende glas in de deur van het verpleeghok, zie ik Marco mijn kant op benen. Hij ziet er onrustig uit. Nadat ik de rapportage die ik zat te lezen weggeklikt heb, sta ik op. Marco staat inmiddels dwingend op het raam te kloppen. Ik doe de deur open en vraag hem rustig of ik iets voor hem kan doen.
“Ja, ik wil mijn sigaretten. Nu,” zegt hij.
Omdat er al een tijdje een levendige handel op de afdeling gaande is, waarbij de minder assertieve rokers leeg geklopt werden, is er sinds een paar dagen nieuw beleid ingevoerd. De rokers zijn nu verplicht hun sigaretten en shag in bewaring te geven en als ze willen roken, moeten ze naar ons komen. “Ik zal ze even pakken,” zeg ik rustig en Ik loop naar de kast. “Heb je nog wel?” vraag ik, “Ik zie namelijk nergens een pakje met jou naam erop.”
“Schiet nou maar op, ik moet echt roken. Ik trek het niet meer.” Ik draai me om en kijk hem peilend aan. “Jeetje Marco, wat is er aan de hand?”
“Er is niks, godsamme, schiet nou ‘s op!” buldert hij.

Marco is een grote vent. Een beer van een vent zeg maar gerust, en wanneer hij zo opgefokt is, komt hij behoorlijk intimiderend over. Dat heeft hij zelf niet altijd in de gaten. “Allemachtig Marco, doe even een beetje rustig zeg, ik doe mijn best, maar als je geen sigaretten meer hebt, kan ik je ook niets geven.” En dan slaat hij ineens keihard tegen de muur. Een fractie van een seconde later gevolgd door een afgeknepen “Godverdomme!”
“Hé, Marco,” roep ik als reactie op zijn uitbarsting, “doe normaal man. Ik schrik me rot. Wat is er nou?”

Hij is zelf ook geschrokken van zijn gedrag. Als ik door vraag lijkt de spanning wat te zakken en wordt hij mededeelzamer. Hij maakt zich zorgen over vanmiddag. Een collega heeft met hem afgesproken dat hij een paar uurtjes naar huis gaat. Met de bus. Dat vindt hij erg spannend. Héhé dat dus. We gaan samen even zitten, checken de bustijden en de buslijnen. Daar voelt hij zich wat rustiger door. Als hij alles heeft opgeschreven, stel ik voor dat hij onderweg meteen ergens sigaretten koopt. Geld heeft hij gelukkig nog wel.

Later vertelt hij dat zijn uitje hem erg is meegevallen. Daarover is hij opgelucht, maar hij heeft zich wel erg rot gevoeld over zijn gedrag tegenover mij.
“Sorry daarvoor,” zegt hij. “Ben je al over de schrik heen?”
“Ja hoor, ik ben over de schrik heen,” zeg ik. “Ik ben vooral blij dat ik niet op de plek van die muur stond,” zeg ik met een knipoog.