Winkelmandje

Op de voordeur van de Zeeman hangt een briefje: Winkelmandje verplicht. Zoekend naar het vereiste attribuut, stap ik de drempel over en dan word ik vanachter een tafel-etalage scherp toegesproken: “U heeft geen mandje. Dan mag u niet naar binnen.”
“Oh, sorry,” reageer ik een beetje beteuterd, “maar waar zijn de mandjes dan?”
“Buiten. En als er geen mandjes meer staan, moet u wachten tot er een klant weg is.”
“Oh, oké.” Ik ga weer naar buiten en posteer me naast het carrousel vol knalroze joggingbroeken. Even later komt er een klant naar buiten. Ik wacht gedwee af. Zonder me aan te kijken of haast te maken, neemt de medewerkster het ingeleverde mandje demonstratief met een spray af en zet het in het daarvoor bedoelde stapelrek. Ze had het me ook even aan kunnen geven, maar a la. Ze heeft vast haar dag niet. Ik loop de winkel in ga op zoek naar haakgaren, want ja, je moet iets in deze tijd van ‘Blijf zoveel mogelijk thuis’.

Drie minuten later wordt er een kinderwagen door een jonge moeder naar binnen geduwd. Ze is druk aan het telefoneren. Ik sta even stil en wacht af wat er gebeurt.
“U moet een mandje meenemen naar binnen,” snerpt de medewerkster opnieuw.
De moeder onderbreekt haar gesprek en drukt de telefoon tegen haar borst. “Vanwege die 1.5 meter politiek?” moppert ze. De medewerkster knikt. “Maar ik heb een kinderwagen bij me? Da’s toch ook goed? Ik houd wel afstand hoor.” De medewerkster kijkt geïrriteerd en legt dan uit dat er maar zóveel mandjes zijn omdat er maar zóveel mensen per vierkante meter winkeloppervlakte naar binnen mogen. De jonge vrouw sputtert wat tegen, maar trekt de wagen dan toch achteruit de drempel over.
Als een jongeman met een rommelig mondkapje over zijn neus zijn deodorant afrekent en schielijk naar buiten verdwijnt, duwt moeders haar inmiddels jengelende kroost een beetje gefrustreerd naar binnen. “Stom gedoe,” mompelt ze. De medewerkster geeft haar snel het afgesopte mandje dat de jongeman net ingeleverd heeft. Zo, opgelost denk ik. Maar nee, er stapt nog een klant naar binnen. Geamuseerd verwacht ik opnieuw een versie van hetzelfde, want ook deze klant heeft geen mandje vast. Rondkijkend zie ik dat er meer klanten lijken te wachten op wat er komen gaat. De medewerkster begint haar verhaal. “Weet je wat,” onderbreekt ze zichzelf zuchtend na de eerste zin van het protocol, “gaat u maar winkelen hoor. Ik ga zelf wel naar buiten dan mag u mijn vierkante meters.” Ze draait zich even om naar haar collega achter de kassa. Deze knikt begrijpend, waarop de medewerkster met afgezakte schouders naar buiten sjokt.

Als ik even later met een dozijn bollen lichtgrijze wol en triopack fruitella de winkel verlaat, zie ik haar een lange trek van een sigaret nemen en deze diep inhaleren. Volgens mij was ze toe aan die peuk.