Woonbegeleiding

Om een beeld te krijgen van wat hun werk inhoudt, loop ik een dagje mee met het team woonbegeleiding. Na een korte introductie gaan Harm en ik meteen op pad; met de fiets de wijk in, want daar wonen de cliënten. Tot voor een paar jaar verbleven de meesten van hen nog op het erf van de instelling. Soms op een afdeling, soms in een studiootje op het terrein, maar sinds de decentralisatie zijn de meesten van hen verhuisd naar een plek in de wijk. Sommigen met z’n vieren in een huis, de meesten echter op zichzelf in een klein appartementje. Tussen het ‘normale’ volk.

De eerste die we opzoeken is Cees. Hij krijgt alleen in de ochtend begeleiding over de vloer. We zetten onze fiets op slot en bellen aan bij een voordeur waarvan het glas aan de binnenkant volledig is afgeplakt. Waarmee? Een soort van houtkleurig plakplastic. Nog voordat de deur opengaat ruik ik sigarenrook. Het zicht is weliswaar geblokkeerd, maar de lucht die door de openstaande brievenbus een weg naar buiten vindt, verklapt een zwaar rokende bewoner. We stappen binnen, groeten Cees en zoeken een plekje waar we kunnen zitten. Dat valt niet mee; zijn hele huis staat namelijk bomvol spulletjes. De chihuahua die ondertussen schel keft, wordt niet berispt of tot rust gemaand. Ik kijk mijn ogen uit. Alle muren inclusief de fotolijstjes die een hele levensloop laten zien, zijn bruin van de nicotineaanslag en de hondenharen vliegen door de lucht. Een muur van zijn woonkamer staat van de vloer tot aan het plafond vol grote geluidsinstallaties en boxen. Als Cees zou willen zou hij het dak van zijn complex kunnen blazen. Ik vraag me af of hij wel eens overlast veroorzaakt. Cees is in zijn bank geploft en vraagt dan of we koffie lusten. We bedanken allebei. Na een praatje en het aftekenen van de medicatie voor die dag, nemen we afscheid. “Tot morgen.”

We stappen op de fiets naar Jelle die in dezelfde wijk een klein studiootje heeft. Jelle krijgt drie keer per dag visite van de begeleiding.
“Hij doet lang niet altijd de deur open,” zegt Harm terwijl hij geduldig blijft wachten, ondanks dat hij al drie keer heeft aangebeld. Hij roept door de brievenbus en klopt een paar keer tegen het slaapkamerraam. Ik zou het allang opgegeven hebben denk ik. Maar na een minuut of tien zien we toch wat schaduwen door de hal bewegen. De deur gaat open. “Ha Jelle, hebben we je wakker gebeld?” Jelle geeft geen antwoord, maar laat de voordeur open staan ter uitnodiging en loopt richting zijn kleine woonkamertje. Vergeleken bij deze woonkamer, was de woonkamer van Cees het toonbeeld van properheid. Mijn god wat een puinhoop! Het aanrecht staat vol vuile vaat en het fornuis is van de muur getrokken en staat verloren midden in de keuken. Het marmoleum eronder is erdoor opgestroopt en vormt bolle richels. Tussen de bank en een fauteuil liggen minstens twintig lege colaflessen en op de vloer, half tegen de salontafel tel ik minsten twaalf dozen cornflakes die omgevallen zijn als een groep dominostenen. Op het vloerkleed onder de salontafel is ter hoogte van de voeten van Jelle, een dijk ontstaan van weggetrapte pluizen, stof en shag. De salontafel staat vol schaaltjes met ingedroogde melk en cereal, vettige glazen en er liggen stapels post.
Jelle vertelt dat het goed met hem gaat. “Ik heb plannen om een voettocht te maken naar Santiago de Compostella,” zegt hij sloom. “Of ik ga een bedrijf oprichten.” Het lijkt hem wel wat om iets met tweedehands meubilair te gaan doen. Ik kijk rond en denk dat Jelle eerst misschien beter kan proberen om zijn huis op orde te krijgen. Maar ja, wie ben ik? Als we weer op de fiets zitten vraag ik toch aan Harm wanneer er tot ingrijpen wordt besloten. Ik vraag me namelijk af of het herstel bevorderend is als je in zulke omstandigheden woont. “Ik ben best wat gewend, maar er zijn grenzen, toch?” Harm vertelt me dat het aan Jelle, diens naasten en aan zijn persoonlijk begeleider is om te beslissen wanneer de grens is bereikt. Dan krijgt hij een telefoontje. Tegen de tijd dat Jelle het telefoontje heeft afgerond zijn we bij Nellie en ons gesprek over Jelle wordt niet voortgezet.

De voordeur van Nellie staat al wagenwijd open. “Doe de deur maar dicht als je binnen bent!” roept Nellie.
In de hal staan twee rekjes met schoenen. Heel veel paar schoenen. In de slaapkamer, waarvan de deur open staat, zie ik nog meer schoenen. We lopen door naar de woonkamer en daar ligt Nellie als een ronde diva op de bank. Naast haar ligt een kat te spinnen en in de hoek van de kamer zit een minipapegaai te krijsen in z’n kooi. De gordijnen zijn dicht. Nel doet geen moeite omhoog te komen.
“Hoe is het met je, Nellie?” vraagt Harm.
“GOEHOED! DAT WEET JE TOCH WEL…. DAT VRAAG JE ELKE KEEHEER!” foetert Nellie. “Ik heb alleen wel last van mijn arm,” zegt ze, wijzend op een vers litteken. Haar armen zijn allebei fors verminkt. Zo te zien heeft ze een enorm probleem met zelfbeschadiging. Geen plek lijkt onaangedaan. Sommige littekens zijn zo diep dat de huid van haar armen in onnatuurlijke vormen wordt getrokken.
We zijn inmiddels gaan zitten. Binnen handbereik heeft Nellie een dienblad staan met spulletjes die ze graag dichtbij zich heeft denk ik: haar asbak, tonnetje tabak, een doos sigarettenhulsjes, een apparaatje om sjekkies mee te maken, een enorme glazen pot met snoep en verschillende flesjes en blikjes fris. Op de salontafel liggen een paar zakken chips, twee marsen, de afstandsbediening en er staat een vaas met stoffige plastic bloemen. De muren van het kleine woonkamertje hangen mudjevol met schilderijtjes en overal liggen hopen knuffelberen. Geen oppervlakte lijkt onbenut te zijn. Overal staat prullaria. Dan opeens springt er grijs konijn over mijn voeten. “Hè?!” Het beest holt richting een kattenbak, springt erin en gaat zitten poepen. “HAHAHAHA, IK ZAG JE SCHRIKKEN,” buldert Nellie. “Tja, die zag ik ook niet aankomen. Je had me wel even mogen waarschuwen,” zeg ik met een knipoog. Nellie schatert schuddebuikend, maar belandt vrijwel meteen in een enorme hoestbui. Als ze uitgebulderd is vraagt ze of Harm even haar nieuwe oranje schoenen uit de hal wil pakken. Dat richt ze zich tot mij. “Weet je hoeveel schoenen ik heb?” vraagt ze. “Ik heb geen idee, 30 paar?” Gok ik. “HAHAHAHA, NEEEE… IK HEB 93 PAAR SCHOENEN!” gilt Nellie. “Jeetje, dat zijn er een hoop!” “Ja, en ik spaar ook beren, en glazen beeldjes.” Ze wijst naar de letterbak aan de muur achter me. “En je breit!” constateer ik, als mijn blik op een stapel gebreide mutsjes valt. “Ja, voor Roemenië,” zegt ze. “Die Curver bakken zitten helemaal vol met wol, die ik heb gekregen. Ik kan nog wel even vooruit.”
Als Nellie vanuit haar liggende positie naar een zittende is gerold, neemt ze haar medicatie met frisdrank in en laat een forse boer. Ze moet er zelf hartelijk om lachen. Nadat ik haar schoenen uitgebreid heb bewonderd, gaan we weer verder. Richting Mario.

Hij staat ons al buiten op te wachten. “Kom binnen, kom binnen,” nodigt hij ons uit. We stappen zijn woonkamer in. Het bankstel dat er staat neemt zo’n beetje de gehele oppervlakte in beslag en fungeert duidelijk ook als droogrekje. Mario blijft drentelend staan en vertelt dat hij die nacht niet veel geslapen heeft. Hij had ‘ze’ gehoord. “Ze waren aan het proberen binnen te komen. Ze willen me pakken.” Ik kijk naar Harm. “Weer en onrustige nacht gehad dus?” vraagt Harm. “Ja, het is geen leven zo,” zegt Mario. Hij weet het zeker, “ze komen me halen. De jongens. Ze zullen me aftuigen. Ik zeg het je, ze zullen pas tevreden zijn als ze me vermoord hebben.” Terwijl hij het zegt, haalt hij een vinger van links naar rechts langs zijn hals. “Da’s een akelige gedachte!” zegt Harm en schakelt dan over op een ander onderwerp, haalt de medicatie uit het kluisje en wacht tot Mario zijn pillen heeft ingenomen. Dan vraagt Mario ons vriendelijk om te vertrekken. Want hij wil weg, weg van het huis waar hij belaagd wordt.
Als we weer op de fiets zitten vertelt Harm mij dat Mario enorm veel last heeft van hardnekkige paranoïde wanen en stemmen. Deze stemmen en gedachten dwingen hem altijd onderweg te zijn. Dodelijk vermoeiend lijkt me. Met het team is afgesproken vooral in te steken op afleiding en positieve gesprekken.

Ik ben een beetje stil van de ontmoetingen deze ochtend. Zo kan ‘begeleid wonen’ er dus uitzien als je een ernstige psychiatrische aandoening hebt.
Sommige cliënten krijgen drie keer per dag bezoek van een begeleider, met als doel op den duur meer regie zelf terug te pakken en de bezoekjes af te bouwen. Maar er komt zoveel bij kijken; zelfzorg, boodschappen, voeding, huishouden, de financiën en administratie, de zorg voor huisdieren, de socialisatie in de straat, de buurt. De dingen die ik zo vanzelfsprekend vind, waarbij ik allang niet meer stilsta, zijn voor veel mensen zo’n enorme opgave. Vooral omdat deze mensen, die soms al een leven lang in een instelling gewoond hebben, weer moeten oppakken wat hen zolang uit handen werd genomen. Ze moeten de maatschappij weer in.
Ambulantiseren.
Resocialiseren.
Meedoen.
Zijn ze blij met deze verandering? Is de familie of zijn de naasten blij met deze ontwikkeling? Is het haalbaar om iedereen in ambulante zorg te krijgen? Komt ambulantisering altijd ten goede van het welzijn van de cliënt? Ik vraag het me af. Ik zou alle betrokkenen in elk geval graag eens uitgebreid willen interviewen.